+

Beeldbepalend voor het brandweergebouw te Wespelaar zijn de poorten waarachter de voertuigen schuilen, gereed om uit te rukken bij gevaar. Het loodsachtige hoofdgebouw heeft een slanke vleugel die tot op de rooilijn reikt en het voorplein in tweeën deelt: opritten voor brandweerwagens (oost) en een tuintje (west). Deze vooruitgeschoven vleugel bevat op de begane grond de kantoren en verschaft toegang tot de garage, de in het gelid opgestelde kasten met de brandweerpakken en de fitnessruimte.

Terwijl het slaapkwartier zich bevindt in de vooruitgeschoven vleugel boven de kantoren, is de verblijfsruimte van de wachtende brandweerlieden opgevat als een mezzanine met uitzicht op het randstedelijke panorama, maar ook op de lager gelegen fitness en op de garage. De verblijfsruimte bevat een keuken, een bar, een eetruimte, een tv-hoek en een terras. De rode, goed zichtbare voertuigen betekenen voor de knusse mezzanine een oproep tot alertheid.

De slanke vleugel met het opschrift ‘brandweer’ en het voormalige stationnetje met het opschrift ‘buurtspoorwegen’ markeren dezelfde rooilijn. Het lage, gespreide volume biedt antwoord op de hoge en massieve, met schoorstenen opgetuigde brouwerij aan de overkant. In de schematische, paneelmatige opbouw herkent men de architectuur van de steenweg. In het opschrift en het kleurgebruik echter – rood en wit, de universele kleuren voor dreigend gevaar en staat van paraatheid – onderscheidt de voorpost zich van de commerciële bouwwerken verderop en openbaart hij zich als een openbare dienst.

Opdrachtgever: Stad Leuven
projectarchitect: Els Van Meerbeek
2001-2005