+

Achter op een perceel in de Wintertuinstraat staat een bakstenen gebouw, dat vroeger als schrijnwerkersatelier werd gebruikt. De drie aan buren grenzende zijden zijn blind; de voorgevel is noordwaarts gericht. Wij verbouwden in 1991 het achterhuis tot een atelierwoning voor een graficus en zijn vrouw.

De voornaamste kwaliteiten van het achterhuis zijn de heldere constructieve opbouw – drie travee├źn loodrecht op de voorgevel – en de ruime maat. Die zijn voelbaar gebleven: in de grote ruimtes op de verdiepingen maar ook, op meer complexe wijze, in de opgedeelde plattegrond van de begane grond.

De verbouwing bestaat in hoofdzaak uit twee muren: een dragende en een zwevende. De dragende muur, in baksteen, voegt zich in de structuur als een ontdubbeling van de blinde achtergevel. Hij vangt de balken en spanten op en maakt een trapgat. Tussen beide muren valt zuiderlicht, dat door de molenaarstrap en binnenramen spaarzaam naar beneden wordt verdeeld. De zwevende muur, in gewapend beton, hangt als een beschuttend scherm voor de begane grond.

Deze verbouwing stelt de gangbare voorschriften voor de zgn. “tweede bouwzone” ter discussie: werken mag, wonen niet. Zulke voorschriften, atavismen van de functionalistische stedebouw, verstaan zich niet altijd met de gang van het leven. Voor onze opdrachtgevers zijn wonen en werken geen scherp gescheiden begrippen. Woon- en werkruimtes zijn niet strikt gescheiden, maar vormen sferen in het huis. Beschutting enerzijds: de behaaglijke loft op de tweede verdieping en, in de diepte, waar het licht het zwakst is, de intieme vertrekken. Vrijmoedigheid anderzijds: het grafisch atelier op de eerste verdieping, niet veel verschillend van het schrijnwerkersatelier vroeger, breeduit geopend naar het noorderlicht en de rommelige charme van de achterkant van Gent.

opdrachtgever: Filiep Tacq
1991