+

“In een typische Belgische verkaveling in een verloren dorp in de Scheldestreek ten Zuidoosten van Gent, vol gestrooid met ondefinieerbare, aandoenlijke middle-class villa’s, staat daar ineens, langs een holle weg, een van die halfronde loodsen van ijzeren golfplaten, door de boeren gebruikt als bergplaats voor hun landbouwmachines. (…)
Onder deze tunnel, dit tongewelf is zonder enige opzettelijkheid, alsof het vanzelfsprekend was, een woning geschoven. Woning en gewelf zijn van een andere orde. Het gewelf gedraagt zich als een stuk natuur, een uitstulping van de bodem, waarin het wonen zijn primaire bescherming zoekt. Al de rest in de omgeving wordt haast ridicuul naast de directe noodzakelijkheid die dit gebouw uitstraalt. Het wonen en zijn architectuur worden hier op een overtuigende wijze van al hun opgeklopte betekenissen ontdaan. Men is hier niet meer met het wonen bezig. Men woont. Men leeft.” Geert Bekaert, archis 1/91.

1990