+

“Kunst in de metro” is fundamenteel anders dan kunst in een galerie of museum. Het metrostation is een hectische grootstedelijke omgeving, met alle trivia vandien. Het kunstwerk wordt niet in één intens moment van concentratie waargenomen, maar in vluchtige, onwillekeurige, meermaals herhaalde ontmoetingen. Het is geen plaats voor detail. Het werk moet tegelijk helder en onpeilbaar zijn of het deemstert weg als een niet tijdig weggehaald affiche.

In het metrostation Maalbeek kregen de ruimtes hun grootste en eenvoudigste vorm terug. Verlaagde zolderingen verdwenen, automaten en winkeltjes werden ingebouwd. De voor metrostations gebruikelijke betegelingen wisselen af met meer constructief aandoende bekledingsmaterialen – betonpanelen en metselblokken in vuurklei – om het openbare, stedelijke karakter van het station te affirmeren.

De perronwanden zijn opgebouwd uit grote panelen in wit beton. Sommige vakken dragen een portret, getekend op witte tegels door Benoît. Deze portretten staan, aan weerszijden van de sporen, achter de wachtende reizigers: twee keer twee rijen figuren in gespreide orde kijken elkaar aan of niet. Eén verdieping hoger zijn de lokettenzalen gericht naar een grote tekening van Benoît die de portretten op het perron aankondigt. Vanaf de Etterbeekse Steenweg kan men één van deze tekeningen zien. Om het vernieuwde station ook boven, in de Wetstraat zichtbaar te maken is één traphal gerenoveerd, ook hier met een grote tekening van Benoît. Is het thema op de perrons het wachten – portretten van gezichten – dan is op straat het thema beweging – portretten van schoenen.

De lokettenzalen maken eigenlijk deel uit van een lange parkeertunnel bovenop de metrotunnel, onder de Wetstraat. De wand die hen van de parkeergarage scheidt hebben we beglaasd zodat de reiziger, na een kluwen van trappen en gangen, zich opnieuw kan oriënteren en de samenhang ziet van de ondergrondse stad. Het renovatieproject van het metrostation Maalbeek ontstond uit de samenwerking van kunstenaar en architect. Omgevingen als deze worden eigenlijk niet ontworpen. Voor elk aspect, voor elk uitrustingselement is een aparte dienst bevoegd; door de accumulatie van gespecialiseerde tussenkomsten ontstaat de ruimte.

Dat kunst en architectuur één specialisme te meer zouden vormen, wilden we niet. Wij hadden juist het geheel op het oog. Toch hadden we bij de aanvang geen overzicht over alle te verwachten interventies; alert blijven was de boodschap. Dus leerden we bemiddelen. In de geringe, maar onuitputtelijke marges van normen en standaarden kreeg het project zijn definitieve vorm.

opdrachtgever: Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Federale overheid
kunstenaar: Benoit Van Innis
ontwerp: vanaf 1995, uitvoering: 1999 – 2000